De site paralogisme.qazah.nl is het geesteskind van Geere Vroegindeweij (* 6-2-1963 + 26-7-2022)


Oorlog en Vrede

De wetenschap die zich bezighoudt met oorlog is polemologie en de wetenschap die zich bezighoudt met vrede noemt men irenologie, waarbij de eerste wetenschap geïnteresseerd is in het ontstaan van oorlogen en de tweede wetenschap het handhaven van vrede bestudeerd.

De term polemologie werd geïntroduceerd door prof. Bouthoul en is afkomstig van het Griekse woord polemos dat oorlog betekend. Voordat het zover was zijn diverse wetenschappen tot uiteenlopende analyses gekomen. In het eerste deel van dit essay zullen deze analyses genoemd worden en de invloed van de filosofie die daar werd uitgeoefend. In het tweede deel zal worden stilgestaan bij diverse theorieën die zijn ontwikkeld om vrede te handhaven en oorlogen te voorkomen.


I

Augustinus schreef rond het jaar 420 dat de tegenstellingen goed en kwaad bij engelen geen verschil aangaf in hun natuur of origine maar het verschil in hun wil en verlangens. Nog steeds noemen wij mensen die wij bijzonder aardig vinden een ‘engel’, terwijl wij mensen die wij uitgesproken onaardig vinden een ‘monster’ noemen. Ik denk dat we Augustinus gelijk moeten geven: in iedere engel schuilt een monster en in ieder monster schuilt een engel. We denken in goed en slecht waarbij de mens naar zijn karikatuur gaat leven.

Ook in de psychologie is men nuchter gebleven: agressie behoort tot de menselijke natuur. Dat daarbij allerlei mechanismen een rol spelen blijkt uit enkele experimenten. Voordat ik hier verder op in ga, mag aangetekend worden dat er een groep is die oorlog een rationeel instrument vinden en een groep die oorlog geen rationeel instrument vinden. Dat oorlog een rationeel instrument is, wordt o.a. verdedigd in het werk van Carl von Clausewitz. Dit komt onder meer tot uitdrukking met zijn stelling dat men zo de superioriteit kan vergrootten. Het beste ideaal komt dan zo ten goede aan de mens. Hiermee werd oorlog een onderdeel van een groot ontwerp, zoals de opkomst van het proletariaat in de communistische eschatologie of de nazistische doctrine over een superras.

In het werk van Tolstoj zien we het tegenovergestelde. Hier is oorlog een sociale ramp, dient geen enkel doel en is in ieder opzicht volstrekt zinloos. Dat niemand gebaat kon zijn van een napoleontische overwinning maakt hij duidelijk in de eerste hoofdstukken van “Oorlog en Vrede”. De Russische adel sprak immers reeds Frans! Het was niets meer dan een concurrentiestrijd tussen keizers.

Stelling 8 uit Spinoza’s “Ethica” luidt ongeveer zo: “Een emotie is heftiger naarmate de simultane concurrente oorzaken, waarmee de emotie wordt aangewakkerd, toenemen”.

De ethologie verklaart de emotie agressie op rationele gronden. De rivaliteit om een bezit, het verdedigen van een territorium en ook wanneer een dier gefrustreerd wordt in zijn doen en laten kan dit agressie tot gevolg hebben. De mens is echter een dier dat kan denken. In hoeverre kunnen wij onze emoties beheersen? In hoeverre laten we ons manipuleren?

Het is interessant om te weten te komen hoe simultane concurrente oorzaken tot stand komen en wat zij teweeg brengen. De sociale psychologie zal ons verder helpen. De experimenten waar ik eerder over sprak zullen meer licht werpen op de stelling van Spinoza.

Het Sherif-experiment werd in 1953 uitgevoerd op een zomerkamp voor 12-jarige jongens. De onderzoekers vormden het personeel op het kamp zodat de gedragingen goed geobserveerd konden worden. De jongens zelf hadden geen idee dat zij object van studie waren. Binnen enkele dagen ontstonden spontaan subgroepjes. De jongens gingen dus met elkaar om met wie zij het liefst omgingen. Vervolgens werden de jongens opgesplitst in twee grote groepen, zogenaamd voor spelen zoals ‘vlag veroveren’ en dergelijke. Het spreekt voor zich dat de jongens dit niet zo leuk vonden omdat hiermee ook kameraadschappen werden verbroken. Reeds bestaande verbanden werden dus verbroken. Iedere groep kreeg een eigen territorium met daarop een hut toegewezen. De groepen gaven zichzelf namen: de rode duivels en de bulldogs. Binnen de groepen ontstond spontaan een hiërarchie waarin de taken werden verdeeld.
Aanvankelijk begonnen de toernooien sportief tussen de groepen. Na verloop van tijd werd de relatie steeds slechter. De rivalen scholden elkaar uit, deden bedreigingen en openden aanvallen uit op elkaar. Na ieder toernooi wilden de groepen niets meer met elkaar te maken hebben. Sherif e.a. kwam tot de volgende hypothese: “Wanneer groepen conflicterende (concurrente) doelen nastreven, zodat de ene club zijn doelen alleen ten koste van de anderen kan realiseren, hun groepsleden vijandig zullen worden ten opzichte van elkaar.”

Het is de vraag waarom de groepsleden vijandig worden tegenover de concurrente groep terwijl de leden individueel, voordat de groepen werden gevormd, vriendschappelijke contacten onderhielden met de concurrenten in spé. Het antwoord op deze vraag luidt: groepsdruk. In een experiment van Asch komt dit mechanisme aan het licht.

In het experiment van Asch moesten de proefpersonen schatten welke lijn op de rechterkaart gelijk is aan de lijn op de linkerkaart.

Het zal iedereen duidelijk zijn dat alleen antwoord ‘c’ de juiste kan zijn. Toch blijken er condities te zijn dat men een antwoord geeft waar men het eigenlijk niet mee eens is.
Er werden groepjes gevormd van 6 personen. Elke groep bestond uit vijf trawanten van de onderzoekers (rolspelers) en één naïeve proefpersoon. De rolspelers brachten opzettelijk een onjuist oordeel. Ze zeiden bijvoorbeeld dat zij lijnstuk ‘a’ op de rechterkaart gelijk vonden aan het lijnstuk op de linkerkaart. Uit het onderzoek bleek dat slechts 25% zich niet conformeerde aan de meerderheid.

Het is dus heel goed voorstelbaar dat in het experiment van Sherif het percentage van jongens die zich niet conformeren aan de meerderheid nog veel lager zal zijn omdat de groepsdruk daar nog veel groter is. Naast de groepsdruk is ook het leiderschap van belang om tot vijandige handelingen te komen, zoals is gebleken in een experiment van Milgram.

Het experiment van Milgram werd in 1961 uitgevoerd. Participanten werden uitgenodigd om deel te nemen aan een onderzoek over het verband tussen straf en leerprestaties. In werkelijkheid werd het experiment uitgevoerd om te kijken hoe mensen gehoorzamen aan een autoriteit. De autoriteit was in dit geval een examinator. Vervolgens werd de participant gevraagd of hij voor leraar of voor leerling wilde spelen. Daarvoor werden lootjes getrokken. Op de beide lootjes stond “leraar” maar de handlangers van Milgram zeiden dat zij “leerling” hadden getrokken. De examinator en de leraar namen plaats in een apart kamertje van de leerling. Zij waren ook niet in staat om elkaar te zien. De communicatie vond plaats via een soort intercom.

De leraar gaf de leerling een woordencombinatie op waarop de leerling een goed antwoord moest geven. Wanneer de leerling een fout antwoord gaf dan moest de leraar een straf geven door middel van een stroomstoot. Men begon hierbij met 45 volt en bij ieder fout antwoord werd het voltage opgevoerd met 15 volt. Bij de hogere voltages begon de leerling te schreeuwen en op de muur te bonken, wat bij de leraar een zenuwachtig gegniffel veroorzaakte. Wanneer de leraar begon te twijfelen aan de methode en vragen begon te stellen aan de examinator over de juistheid van deze methode dan kreeg hij de opdracht om door te gaan. Van te voren had Milgram bedacht dat het experiment zou worden afgebroken nadat de leraar na het vierde commando nog steeds bezwaar bleef maken. De commando’s van de examinator waren als volgt:

  1. alstublieft doorgaan
  2. het experiment vereist dat u doorgaat, ga verder
  3. het is essentieel dat u doorgaat
  4. u heeft geen keuze, u moet doorgaan

Dit had tot gevolg dat de meeste leraren, 65%, doorgingen tot 450 volt, waarmee het experiment ook werd beëindigd omdat de leerling dan inmiddels was overleden.

Nu waren deze “leraren” niet per definitie agressief. Maar wat, wanneer het een woedende meute betreft? Dan kan een autoriteit een schade veroorzaken die zijn weerga niet kent! In de sociologie worden dergelijke grotere verbanden bestudeerd.

Om het risico op oorlog te minimaliseren zou er een harmonisering moeten plaatsvinden in de belangen van de staten volgens de sociologisch liberalistische analyse. De liberalisten hebben zich hierbij gefocusseerd op autocratische overheden die mogelijk zouden kunnen leiden tot oorlogen die indruisen tegen de wensen van de bevolking. Universeel stemrecht zou kunnen voorkomen dat elementen plaatsnemen die niet voldoen aan de wensen van het volk. Kant postuleerde hier dat het gevaar van de democratie inhield dat een meerderheid de gehele besluitvorming in de macht krijgt, terwijl er nog een minderheid bestaat die faliekant tegen de meerderheidsopinie is. Hij noemde de democratie daarom een vorm van despotisme. Evenals John Stuart Mill pleitte hij voor het republicanisme. Dit betekent dat de staatsbemoeienissen minimaal zijn en dat vrije handel in het belang van iedereen is. Omdat de liberalisten heel goed beseffen dat er niets automatisch gaat in deze wereld zou internationale organisatie een stap in de richting moeten zijn voor voortdurende vrede. Moet hierbij gedacht worden aan een wereldregering? Nee, dat zou indruisen tegen de liberalistische gedachte. Allereerst zouden alle staten onafhankelijk moeten zijn. De internationale organisatie moet in dienst staan van de onafhankelijke staten in plaats dat er macht wordt uitgeoefend. Ook de onafhankelijke staten zijn in principe organisaties die de kwaliteiten van hun maatschappijen representeren. John Stuart Mill bracht dit als volgt naar voren:

Iedere regering die gericht is op het beste, is een organisatie van ieder deel van de goede kwaliteiten die bestaan bij de individuele leden van de maatschappij om collectieve belangen te behartigen.

Dit wil zeggen dat ook minderheden moeten kunnen deelnemen aan de regering om inspraak te houden van kwaliteiten, hoe klein ook, die essentieel zijn binnen de samenleving.

De sociologisch socialistische analyse richt zich op het sociaal-economisch systeem als de primaire factor om tot conflicten te komen. Marx wijst hierbij op de constante behoefte aan ruw materiaal, nieuwe markten en goedkope arbeid. De kapitalistische productiewijze zou de maatschappij hebben verscheurd in twee klassen: de bourgeoisie en het proletariaat. Om oorlogen te vermijden zou het kapitalisme vervangen moeten worden door het socialisme. De internationale solidariteit onder het proletariaat bleek echter een mythe toen de oorlog uitbrak in 1914, waarbij de Europese sociaal-democratische partijen zich geen houding wisten te geven. De partijen vonden onderling in allerlei futiliteiten aanleiding om conflicten aan te gaan in plaats dat zij zich probeerden in te zetten voor een gemeenschappelijk doel.
Sovjet theoretici kwamen tot drie typen van oorlogen: tussen kapitalistische staten, tussen kapitalistische en socialistische staten en koloniale vrijheidsoorlogen. In werkelijkheid zijn dergelijke oorlogen nauwelijks voorgekomen. Dat het opheffen van klassenverschillen oorlogen zou kunnen voorkomen is nauwelijks voorstelbaar. We moeten hierbij ook denken aan de behoeften van de klassen. John Hobson sprak in dit verband van de evolutie van klassenbehoeften en de individuele standaard van consumptie. Hij noemt hierbij drie bepalende factoren: 1. de primaire organische factor; 2. de industriële factor en 3. de conventionele factor (wat men naar sociale gewoonte nodig denkt te hebben). Wanneer iedere aardbewoner dus dezelfde levensstandaard zou hebben als de hoogste, of één van de hoogste klassen, dan is het niet moeilijk te voorspellen dat onze aardse bronnen ontoereikend zullen zijn. Vooral in een tijd waar de klassenstrijd zich lijkt af te spelen tussen sociaal-economische klassen, zoals de ongelijke strijd tussen het rijke westen en de ontwikkelingslanden en niet die tussen een vermeende bourgeoisie en het proletariaat.
Een eerlijker verdeling van de welvaart en internationale solidariteit zouden eerder tot een voortdurende vrede kunnen leiden.

Volgens de sociologisch nationalistische doctrine (een analyse is het niet te noemen) ontstaan oorlogen wanneer de natie niet voldoende beschikt over zelfbeschikkingsrecht. Voorstanders van het nationalisme zullen zeggen dat zij antikolonialisme bedoelen maar in werkelijkheid betreft het een ideologie die streeft naar een staat met één identiteit: de natiestaat. Men zou eerder kunnen stellen dat de nationalistische ideologie tot oorlogen leidt in plaats dat men de staat als onafhankelijk beschouwd zonder te kunnen bewijzen van welke andere staten de staat afhankelijk zou zijn.

Tenslotte zou men nog kunnen wijzen op belangengroepen zoals de wapenindustrie die gebaat is bij oorlogen. Overheden die sterk afhankelijk zijn van de wapenindustrie zullen hun politiek afstemmen op steun aan staten die oorlogen voeren of anders een imperiale politietaak op zich zullen willen nemen. Hiermee vormt ook status en machtsvertoon een motief om oorlogen te voeren. Al was het maar om nieuwe technologieën te kunnen testen!


II

In 1795 verscheen van Immanuel Kant het essay “Zum ewigen Frieden”; de eeuwige vrede. De titel van dit essay had Kant ontleend aan het uithangbord van een Nederlandse herberg waarvan hij vermoedde dat het satirisch bedoeld was. Het essay zelf was geenszins als satirisch bedoeld. Om tot voortdurende vrede te komen, noemt Kant 6 punten die naar zijn idee de vrede zou moeten waarborgen.

  1. Geen enkele vredesovereenkomst heeft waarde zolang er verzwegen reservemateriaal voor een toekomstige oorlog aanwezig is.
  2. Geen enkele onafhankelijke staat, groot of klein, zal onder de heerschappij van een andere staat komen door erfrecht, ruil, koop of donatie.
  3. Permanente legers moeten na verloop van tijd totaal afgeschaft worden
  4. Nationale schulden zullen niet gecontracteerd worden met het oog op externe wrijvingen met staten.
  5. Geen enkele staat zal met macht interveniëren met de constitutie of de regering van een andere staat.
  6. Geen enkele staat zal, gedurende een oorlog, vijandige acties tolereren die het wederzijdse vertrouwen in latere vrede frustreren. Zoals het inzetten van huurmoordenaars, gifmengers, een bres slaan in capitulatie en het aansporen van verraad bij de staat in oppositie.

Of Kant hiermee punten heeft die van waarde zijn is de vraag. Het is zeker voer geweest voor veel theoretici. Punten zoals door Kant opgesteld kunnen alleen van waarde zijn binnen een internationaal systeem. Een systeem waarmee de staten elkaar in de gaten kunnen houden zoals we tegenwoordig het internet hebben waarmee we over de muurtjes van de buren kunnen kijken. Hiermee zou natuurlijk wantrouwen naar het onbekende voor een groot deel weggenomen kunnen worden. Wanneer we zien dat de buren met onschuldige zaken bezig zijn dan is er ook minder behoefte om zich defensief op te stellen.
Op deze manier worden ook misstanden bekend in andere staten zoals, bijvoorbeeld, het martelen van gevangenen. In dergelijke gevallen kunnen we sanctionele maatregelen nemen zonder dat het nodig is om direct naar de wapenen te grijpen. Internationale controle is dus noodzakelijk om ooit te kunnen komen tot een vredesstaat. We kunnen hierbij denken aan internationale organisaties zoals Amnesty International en Greenpeace.

Kant schreef in zijn “Zum ewigen Frieden” o.a. het volgende:

De vredesstaat van mensen die zij aan zij leven is geen natuurlijke staat, de natuurlijke staat is die van oorlog. Dat betekent niet altijd openlijke vijandigheden, maar op zijn minst onophoudelijke oorlogsdreiging.
De vredesstaat moet daarom gevestigd worden.

De onophoudelijke behoefte aan ruw materiaal, in onze tijd is energie nog belangrijker geworden, heeft tot gevolg dat de dreiging van handelsoorlogen continue in de lucht hangt. Hoe kan men de lucht doen klaren?

Diplomatie is door de jaren een sterk wapen geworden om geschillen op een vreedzame wijze op te lossen. Het systeem van een machtsbalans wordt hierbij zwaar op de proef gesteld. De zogenaamde speltheorie is hierbij een nuttig instrument geworden om conflictsituaties te analyseren. Om tot de juiste balans te komen zullen partijen de baten en kosten wegen. Het is logisch dat men streeft naar bevredigende uitkomsten. Uitkomsten waar iedereen wat aan heeft. Speltheoretici onderscheiden hierbij de antagonistische situaties die zij “zero-sum games” en “non-zero-sum games” noemen. Bij “zero-sum games” kan de ene staat alleen iets winnen ten koste van de andere staat. Bij “non-zero-sum games” gaat de winst van de ene staat niet ten koste van de andere staat. Dergelijke analyses zijn dus van belang om tot de juiste machtsbalans te komen.

Regionale integratie is ook een methode om vrede te handhaven. Wanneer de ene staat politiek niet zoveel verschilt van de staten rondom dan kunnen parallelle structuren ontstaan binnen een internationale context. De Europese Economische Gemeenschap is daar een goed voorbeeld van. In plaats dat er telkens op uit is om elkaar de tent uit te vechten kijkt men juist naar wat men gemeenschappelijk heeft. Geen belangenconflicten maar gemeenschappelijke belangen. De belangen zijn gemeenschappelijk wanneer de behoeften, wensen en ideeën overeenstemmen. Jean-Jacques Rousseau maakte een uitgebreide opsomming van de overeenkomsten tussen de Europese volkeren in zijn “A Lasting Peace through the Federation of Europe and the State of War”  uit 1756. Het betreft een kritiek op de ambitieuze plannen van abbé Charles-Irénée Castel de Saint-Pierre die droomde van een federaal Europa. Hoe goed de ideeën van de abbé ook bedoeld waren, Rousseau heeft lang gelijk gekregen dat overeenkomsten niet altijd leiden tot samenwerking. Met ironie schrijft hij:

Kijk eens naar die eeuwige ruzies, het geroof, het wederzijdse toe-eigenen, de opstanden, de oorlogen, de moorden, die dagelijks de wanhoop brengen in dit kwetsbare huis van filosofie, dit briljante heiligdom van kunst en wetenschap.

We mogen hopen dat na twee wereldoorlogen de beurt zal toekomen aan de abbé. Al zal een federaal Europa misschien voor altijd een utopie blijven.

In 1977 werd de Nobelprijs voor de vrede uitgereikt aan Amnesty International. Daarmee werd de prijs uitgereikt aan de toen 168.000 leden, terwijl het dankwoord werd gedaan door Müntaz Soysal die daarmee de leden vertegenwoordigde. Op de memorabele dag, die op 11 december viel, zei hij onder meer het volgende: “Vrede kan niet worden gemeten aan de afwezigheid van conventionele oorlogen, maar aan de constructie op de fundamenten van het recht”. Alhoewel internationaal recht door veel filosofen en andere geleerden werd (en wordt) bepleit, staat het nog steeds in de kinderschoenen. Daarvoor zouden eerst de morele grondslagen voor internationale wetten gekend moeten worden. Eén van deze grondslagen zou gelegen kunnen zijn in het algemeen nut. Om deze gedachten verder uit te diepen zou een apart essay nodig zijn om niet het overzicht te verliezen in de beheersingsmethoden van de vrede.

De Verenigde Naties zijn belast met de voortgang van de internationale vrede en veiligheid. Het Handvest dat daarvoor is ontwikkeld noemt drie manieren van benadering: ten eerste een vreedzame tafelronde voor dispuut zodat de naties uiteindelijk niets hebben om iets uit te vechten; ten tweede collectieve veiligheid zodat agressors niet kunnen inbreken en ten derde ontwapening zodat agressors ontmoedigd raken om aan te vallen.
Het zal algemeen bekend zijn dat de VN een organisatie is die dweilt met de kraan open. Er is nog te veel wantrouwen in deze wereld dat men deze organisatie op haar woord durft te vertrouwen.

Collectieve veiligheid moet ervoor zorgen dat de schurken buiten de deur blijven. Het spreekt voor zich dat men met deze methode wel de vrede binnen de muren laat voortduren maar dat daarmee geen wereldvrede kan worden bereikt.

Ook het argument dat ontwapening tot voortdurende vrede zal leiden bevat een contradictie. Men moet zich immers eerst goed bewapenen voordat men in staat is om de ander te ontwapenen. Uiteraard is er niemand die de ander zal vertrouwen dat hij zichzelf zal ontwapenen nadat hij zijn tegenstander heeft ontwapend. We moeten hierbij nog maar eens aan de woorden van Kant denken: de natuurlijke staat is een staat van oorlog.
Een leeuw zal zichzelf ook niet de hoektanden afslijpen!

Tenslotte zijn er nog theoretici die denken aan een wereldregering. Voorlopig zal dit een utopie blijven zolang parallelle structuren ver te zoeken zijn. Bovendien is het volstrekt ondenkbaar hoe een dergelijke regering eruit zou moeten zien. Een ‘ronde tafel’ van staten zou wel wenselijk zijn, maar dan uitdrukkelijk zonder een koning Arthur. De VN is een aardige stap in de richting alhoewel veel leden hun schouders ophalen bij wat er besproken wordt. De dromen van abbé Saint-Pierre ten spijt; een wereld waar de lam en de leeuw in vrede naast elkaar liggen zal een andere wereld zijn dan deze!

Waar men niet slaagt te realiseren, daar zal men blijven dromen.

******

De vertalingen van de citaten waren van mijzelf.

Met dank aan Pluis voor het aanbrengen van correcties in de tekst.

Om verder te lezen:

Augustinus

Spinoza

Sociale psychologie

Bibliografie Henri van Praag

https://www.law.kuleuven.ac.be/iir/nl/onderzoek/Straffeloosheid/DeLaender.pdf

https://vo.scouting.nl/zelfstudie/kik/mod13/h4/index.htm

John Stuart Mill

Karl Marx

Nationalisme

Immanuel Kant

Jean-Jacques Rousseau

Nobelprijs

Verenigde Naties