“ALL STATES, all powers, that have held and hold rule over men have been and are either republics or principalities.”
(Alle Staten, alle mogendheden, die het bewind voeren en gevoerd hebben over mensen, zijn en zijn steeds geweest of republieken dan wel vorstendommen)
Het is de eerste zin van Machiavelli’s “The Prince”, in de Engelse vertaling (de Nederlandse vertaling is “de Vorst”). Op het eerste gezicht lijkt er niets vreemds te staan. Alhoewel het in 1515 werd geschreven wonen de Nederlanders, de Belgen, de Denen, de Engelsen en nog een hoop andere volkeren nog steeds in een vorstendom. Weliswaar hebben deze vorstendommen niet langer dezelfde macht als in 1515, met de macht als zodanig is er de afgelopen eeuwen weinig veranderd. We zouden kunnen stellen dat de macht is overgedragen aan andere machten die heersen. Daarmee kunnen we de principaliteit niet langer louter beschouwen als het domein van de koning of de koningin, maar moeten we haar herleiden tot haar oorspronkelijke betekenis: de oppermacht. In onze huidige tijd is het moeilijk te bepalen wie of wat deze oppermacht is en dit lijkt er op te duiden dat de macht aan een ieder toebehoort die macht wenst uit te oefenen over de ander. Daarbij rijst de vraag of deze macht al dan niet terecht over de ander wordt uitgeoefend. De volgende vraag die gesteld kan worden is gelegen in het feit dat er vaak macht wordt uitgeoefend over de ander zonder dat men zich afvraagt waarom iemand zichzelf heeft gerechtigd om macht over de ander uit te oefenen. Er zijn nieuwe principaliteiten ontstaan die hun ontstaansrecht lijken te verlenen aan het erfrecht van lang vergane glorie. Nog geen 500 jaar na het verschijnen van ‘The Prince’ van Machiavelli lijkt het te krioelen van de nazaten van Richard III, een onooglijke trol, een misbaksel dat de heerszucht in zijn meest pure vorm verbeeldt in een toneelstuk van William Shakespeare. Om aan het toeval niets over te laten laat Shakespeare de moeder van deze Richard III het volgende zeggen: “and in the breath of bitter words let’s smother my damned son.”(en laat ons in een stroom van bittere bewoordingen smoren mijn vervloekte zoon.) Zoiets hoor je zelfs de moeder van een maffiabaas niet zo snel zeggen. Het recht dat iemand heeft genomen om het leven van een ander te bepalen wordt echter niet altijd in dank afgenomen zoals in het toneelstuk van Shakespeare; het zijn dwaze moeders die rouwen om het verlies van hun kinderen.
Het woord ‘prins’ komt van het Latijnse ‘princeps’ en het betekent zoiets als ‘eerste’, ‘voornaamste’ of ‘aanvoerder’. Met deze betekenissen lijkt op het eerste gezicht niets mis hoewel men na de inleiding zou verwachten dat ‘prins’ van het woord ‘primaat’ zou zijn afgeleid. Dat is niet zo, alhoewel de overeenkomsten opmerkelijk zijn. Ook het woord ‘primaat’ komt uit het Latijns en betekent ook zoiets als ‘eerste’, ‘hoogste plaats’ of ‘oppergezag’. Dit verklaart waarom primaten onder de hoogste orde worden gerekend. Met enig cynisme zou men kunnen zeggen dat er onder de primaten ook weer primaten zijn waaronder primaten, daaronder primaten enzovoorts. Het vormt een principe om macht over een ander uit te oefenen, een principe om het leven van een ander te kunnen bepalen. De mens worstelt hiermee met zijn oerinstincten, residuen van het holbewonerschap waarmee het de noblesse van de titel ‘prins’ heeft verguisd tot de term van een struikrover. Men rekent met elkaar af volgens het basisprincipe dat men nergens over spreekt, discussies uit de weg gaat, geen oog heeft voor trauma’s en de enige waarheid in zichzelf draagt. Een willekeurige waarheid kan de macht tot absolute heerschappij waarborgen. We kunnen het lang en breed hebben over de waarde van deze willekeurige waarheid; zelfs wanneer deze waardeloos blijkt, kan het de mens doen zuchten onder een heerschappij die niet openstaat voor consensus. Zonder consensus kan er ook geen maatschappelijke waarheid bestaan, zodat alleen de willekeur het dan nog voor het zeggen heeft. Omdat de willekeur geen enkele strekking heeft die toetsing behoeft, zou men in het ergste geval kunnen spreken van instinct. Hiermee leeft de hedendaagse mens op het niveau van een holbewoner in een wereld die vergeven is van techniek. De techniek mag dan voortgekomen zijn uit een hoger bewustzijn, de massa is op alle vooruitgang achter gebleven en leeft zijn primitieve driften uit op Joden, negers, homo’s, vermeende pedofielen, Islamieten en andere elementen die niet in het plaatje van de willekeurige waarheid passen. Uiteraard gebeurt het ook dat Islamieten hun driften uitleven op Joden, cineasten, afvalligen, Amerikanen en geblondeerde politici. Om nog maar te zwijgen van homo’s die een hekel aan vrouwen zouden hebben of Joden die een hekel aan Palestijnen zouden hebben. Ondanks het feit dat de mens over een spraakvermogen beschikt en over de rede, wordt van deze evolutionaire ontwikkelingen in de praktijk weinig gebruik gemaakt. Het onderwijssysteem heeft een harde noot te kraken om van de primitieve mens een mens te maken dat gebruik kan maken van zijn capaciteiten waarmee hij zich onderscheidt van de rest van het dierenrijk. De hardheid van deze noot is gelegen in het oerinstinct dat zegt te moeten heersen over de ander, de capaciteiten aan te wenden voor het enige belang dat telt: het eigenbelang. De allerslimsten weten hun spraakvermogen en hun rede zo te ontwikkelen dat zij zichzelf weten te ontpoppen tot eekhoorntjes die altijd de grootste voorraad nootjes weten aan te leggen zodat hun achterachterachterkleinkinderen ook nog kunnen profiteren van de inmiddels beschimmelde erfenis. Zonder het goed te beseffen handelen ook zij naar een primitief instinct.
Freud vroeg zich al af wat de relatie zou kunnen zijn tussen instinct en stimulans. Men zou kunnen postuleren dat een instinct een stimulans is dat aan de geest toebehoort. Dit klinkt nog wat te vaag en om het te verduidelijken zouden we de fysiologische betekenis van de stimulans moeten leren kennen. Wanneer licht te fel op het oog valt dan zal het oog geïrriteerd raken waardoor men het oog zal sluiten. Daar is weinig denkwerk voor nodig. Een vinkje kan dat net zo goed als een mens. Een instinct lijkt eenzelfde werking te hebben als een stimulans. Wanneer iets stinkt dan wordt dit ingegeven door een stimulans: kwalijke stoffen irriteren de neus en brengen de hersenen in de alarmfase. Men wendt het hoofd af, of men knijpt de neus dicht; eigenlijk niet veel meer dan het sluiten van het oog voor te fel licht. Hiermee wordt de relatie tussen stimulans en instinct duidelijk: prikkels zetten aan tot een bepaalde actie. Een instinct is dus geen stimulans, het is een gevolg op een stimulans. Het volgende dat opvalt, is dat een instinct min of meer automatisch volgt op een stimulans. De meeste instincten zullen we dus ongetwijfeld nodig hebben. Ook in een trial/error-omgeving zullen deze instincten intact blijven. Zonder deze instincten zouden we het waarschijnlijk niet overleven. Het is hier de vraag welke instincten weggestreept kunnen worden tegen de rede. Doordat bij de mens als enige onder de levende wezens de rede is ontwikkeld, mag de tijd rijp worden geacht om onszelf te verlossen van instincten die misschien nog wel thuishoren bij chimpansees, bonobo’s en andere primaten, maar voor de mens niet meer dan als hinderlijk moeten worden beschouwd. Vooral wanneer het zaken betreft waarover nagedacht kan worden.
Om
enig inzicht te verkrijgen in zogenaamde primitieve instincten,
voorzover zij instincten genoemd kunnen worden, zouden wij eens een
kijkje moeten nemen bij de primitieve staat van, om maar een
voorbeeld te noemen, de mantelbaviaan (Papio hamadryas). De
mantelbavianen leven in groepen die soms wel 700 dieren omvatten en
een nomadisch bestaan leiden. De sociale organisatie is voornamelijk
economisch, dus strokend met de ecologische omstandigheden. De
grootte van de groep is afhankelijk van het voedselaanbod.
Communicatie speelt een grote rol bij de voedselvergaring. Wanneer er
voldoende voedsel wordt gevonden dan maakt de vinder dat kenbaar naar
de groep. Wanneer het voedselaanbod onvoldoende is dan zwijgt de
mantelbaviaan en zorgt dat hij zelf zijn buikje rond krijgt. Wanneer
andere individuen lucht krijgen van het voedselaanbod dat onvoldoende
is voor de gehele groep dan worden ondergeschikten buitengesloten.
Het vasten is bij de mantelbaviaan uitgevonden. Het voordeel hiervan
is dat wijfjes met jongen onder de protectie van een sterke man wel
kunnen profiteren van het voedselaanbod. Wanneer het voedselaanbod
voldoende is dan wordt ieder lid van de groep gemaand om te eten (of
te drinken). In de ethologie noemt men dit sociale facilitatie.
Het andere voordeel van groepsvorming is protectie tegen roofdieren.
Bij groot alarm gaan de sterke mannen de vijand te lijf. Het
alarmeren is verfijnd bij de groene meerkat die voor slangen, bodem-
en luchtvijanden verschillende waarschuwingskreten heeft. Zo weet men
of het een lucht- of een grondaanval betreft.
Ik zou zo nog lang
kunnen uitweiden over allerlei perikelen in de bavianenstaat, maar ik
denk genoeg gegevens verzameld te hebben om mijn punt te maken. Het
zal in ieder geval opgevallen zijn dat ‘de prins’ niet echt
gevonden is in deze primitieve staat.
De bavianenstaat kent een economie zoals ook de mens een economie kent. Het grote verschil tussen de mens en de baviaan is dat de baviaan geen kennis heeft van landbouw. De baviaan is daarom gedoemd een nomadenbestaan te leiden. Het voedselaanbod dat er is, dient de baviaan economisch te benutten om er zorg voor te dragen dat de sterke mannen op krachten blijven om de vijand te kunnen weerstaan en om het nageslacht zeker te stellen. De vijand van de baviaan is een reële vijand. De enige vijand van de mens is de mens. De sociale facilitatie gaat bij de mens slechts op bij groepen die zich onderscheiden van andere groepen, niet voor de mensheid in haar geheel. In tegenstelling tot de baviaan past de mens zich niet aan op het voedselaanbod. Bij voldoende voedsel bestaat er geen communicatie naar hongerigen, het verdwijnt eenvoudigweg in een verbrandingsoven. Bij gebrek aan vijanden heeft de mens zichzelf tot vijand verklaard. Hieruit volgt de volgende boude stelling: de baviaan heeft vijanden; de mens ziet spoken.
Vanuit de economie, strokend met de ecologie, is het natuurrecht ontstaan. Om kennis te maken met de voorschriften van het natuurrecht ben ik te rade gegaan bij Thomas van Aquino (men moet mij deze keuze maar vergeven). In de “Summa theologiae” schrijft hij het volgende:
De rangorde van de voorschriften van het natuurrecht correspondeert met de rangorde van onze natuurlijke neigingen. Want er is in de mens een eerste neiging tot het goede volgens zijn aard die hij deelt met alle wezens: en dat is dat ieder wezen zijn zelfbehoud nastreeft volgens zijn eigen aard. Overeenkomstig deze neiging bevat het natuurrecht alle voorschriften die nodig zijn voor het behoud van het menselijk leven en die het tegenovergestelde belemmeren. Ten tweede kan in de mens de neiging bespeurd worden tot meer specifieke doelen, overeenkomstig de aard die de mens deelt met andere dieren. En volgens deze neiging behoren tot het natuurrecht al die voorschriften ‘die de natuur aan alle dieren geleerd heeft’, zoals de verbinding van man en vrouw, de opvoeding van de jongen en dergelijke. Ten derde is er in de mens een zekere neiging tot het goede, overeenkomstig zijn rationele aard, en deze neiging behoort alleen de mens toe, zoals een natuurlijke neiging om de waarheid over God te kennen en om in een maatschappij te leven. En daarom bevat het natuurrecht al die voorschriften die betrekking hebben op deze neigingen: namelijk dat de mens onwetendheid behoort te vermijden en dat hij anderen, met wie hij moet verkeren, niet moet kwetsen en dergelijke voorschriften.
(Vertaling P.Westerman/OU)
Een
wezenlijk verschil dat gevonden wordt in deze voorschriften en de
werkelijke gang van zaken schuilt in het begrip ‘zelfbehoud’ en
het begrip ‘eigenbelang’. In de bavianenstaat is het zelfbehoud
van het grootste belang, terwijl in de mensenstaat het eigenbelang
lijkt te prevaleren. Het zelfbehoud refereert aan een noodzaak tot
overleven, het eigenbelang dat voortkomt uit het economische
zelfbehoud heeft de medemens tot vijand gebombardeerd. Zonder dat men
daadwerkelijk in gevaar is, wordt de medemens bestookt alsof het een
luipaard betreft of een hyena. De mens is tot een paranoïde wezen
geworden dat nauwelijks zichzelf vertrouwt. En zoals de waard is…
Het
individualisme heeft teveel principaliteiten geschapen terwijl de
economie juist een sociale organisatie zou moeten dienen. Waar ik
sprak van instincten, spreekt Thomas van Aquino van neigingen. Alleen
wanneer wij de sociale organisatie kunnen begrijpen, waar ieder
individu als nuttig wordt beschouwd, zijn de specifieke doelen
vanzelfsprekend: de gemeenschap te dienen in het algemeen belang.
Daarmee komen we tot het derde punt in de voorschriften van het
natuurrecht (de atheïsten onder ons moeten God maar lezen als het
Universum). We zouden tegenwoordig zeggen: “wie goed doet, goed
ontmoet.” Om de onwetendheid te vermijden, zouden we dus de ander
moeten leren kennen. Wanneer wij tot niets anders in staat blijken
dan in de ander ‘de vijand’ te zien, zal de mens nog lang met
oorlogen moeten blijven leven. De onwetendheid vermijden is te
trachten de waarheid te vinden. De leugen creëert een valse waarheid
zoals deze afgespiegeld wordt vanuit het verlangen een vijand te
verslaan. Alleen met kennis van de medemens kan men vrienden maken.
Met mijn betoog vanuit economisch oogpunt in de ecologische
omstandigheden waarin de mens zich bevindt, heb ik duidelijk willen
maken dat heerszucht een paranoïde afwijking is waarmee een mens de
mens tot vijand kan verklaren.
******
Met dank aan Pluis voor het aanbrengen van correcties in de tekst.
Meer lezen kan bij de volgende links:
https://www.marxists.org/reference/subject/philosophy/works/at/freud2.htm
http://www.constitution.org/mac/prince01.htm
http://www.martin-rowe.com/a.php?id=54
http://www.newadvent.org/summa/209402.htm