De site paralogisme.qazah.nl is het geesteskind van Geere Vroegindeweij (* 6-2-1963 + 26-7-2022)


Een waardig bestaan

In het boekje “Een waardig bestaan”, dat eerder verscheen als hoofdstuk 6 in het boek “Grensgebieden van het recht”, probeert de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum een lans te breken voor dierenrechten.

Het boekje wordt ingeleid door een uitspraak van de Hoge Raad in India, Kerala, in een zaak die werd aangespannen tegen een circus in juni 2000. Een opmerkelijke zin in de uitspraak is de volgende: “Hoewel ze niet behoren tot de soort homo sapiens, zijn ook zij wezens met recht op een waardig bestaan en een humane behandeling, zonder wreedheid en marteling.”

Een humane behandeling voor dieren. Alhoewel een hoop mensen het nauwelijks kunnen opbrengen om humaan tot hun eigen soort te zijn is het een interessante benadering. Het probleem is natuurlijk waarop men dit baseert. In de eerste plaats zijn er onze betrekkingen met leden van andere soorten zoals wij deze kennen met onze huisdieren. Nussbaum noemt in dit verband betrekkingen die te maken hebben met ontvankelijkheid, medeleven, vreugde over uitblinken, zorg en aandacht. Natuurlijk zijn er ook die betrekkingen zoals wij deze kennen met die arme circusdieren en dan kan gedacht worden aan betrekkingen die te maken hebben met manipulatie, onverschilligheid en wreedheid. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat een huisdier doorgaans een beter leven heeft dan een circusdier waarmee een onderscheid gemaakt kan worden met een humane benadering en een inhumane benadering. Uiteraard zullen er ook gevallen zijn waarbij de grenzen minder scherp afgebakend zullen zijn met betrekking tot onze betrekkingen met dieren.

Behalve een kwestie van goed fatsoen lijkt het ook een rechtvaardigheidskwestie te zijn hoe wij omgaan met dieren. Daarvoor zouden bestaande grondrechten en rechten en aanspraken uitgebreid moeten worden tot over de soortgrens. Voordat het zo ver is zou er een adequate theoretische benadering verwoord moeten worden. Nussbaum biedt hiervoor haar zogenaamde 'vermogensbenadering' als theoretische leidraad. Maar wat is deze 'vermogensbenadering'? Het is een theorie die ervan uitgaat in hoeverre men in staat is om zijn vermogens te ontplooien; in hoeverre men in staat is om te kunnen floreren. Daarmee kan men ook zijn waardigheid tot uiting brengen. Deze benadering zou men ook op dieren kunnen toepassen.

De epicuristen voerden aan dat zowel mensen als dieren bestaan uit een sterfelijk lichaam en een stoffelijke ziel, die na de dood vergaan. Dat zowel dieren als mensen een ziel zouden hebben (over de stoffelijkheid zullen we het hier maar niet hebben) werden door christenen en joden verworpen als atheïsme en goddeloos materialisme. In plaats daarvan werden de stoïcijnen gehuldigd die dieren niet beschouwen als participanten van de ethische gemeenschap.

Kant voerde aan dat wanneer mensen vriendelijk zijn voor dieren, deze mensen ook vriendelijk zijn voor mensen. Wanneer mensen wreed zijn voor dieren dan blijkt vaak dat deze mensen ook wreed zijn ten opzichte van andere mensen. In dit opzicht is de waarde van het dier instrumenteel van aard. Iemand waarvan men weet dat hij graag spullen sloopt, haalt men ook niet graag in huis. Dat een dier pijn of plezier kan voelen is hier dus niet aan de orde.

Wat dat betreft ging Rawls nog een klein stapje verder door te erkennen dat dieren pijn of plezier kunnen voelen. Echter, in “A Theory of Justice” schrijft hij: “Wreedheid ten opzichte van dieren is zeker verkeerd. Het vermogen tot gevoelens van plezier en pijn, en tot de vormen van leven waartoe deze dieren capabel zijn, legt ons in hun geval duidelijk verplichtingen van medelijden en menselijkheid op. Ik zal geen poging doen om deze overwogen overtuigingen te verklaren. Ze vallen buiten het bereik van de rechtvaardigheidstheorie, en het lijkt niet mogelijk om de contractdoctrine zover uit te breiden dat ze daar op natuurlijke wijze binnen zou kunnen vallen.” Voor zover blijft het dus een kwestie van goed fatsoen hoe wij met dieren omgaan.
De contractdoctrine verwijst naar een theorie van Rawls. De mens heeft in zijn originele positie geen weet van zijn mogelijkheden omdat hij leeft onder een sluier van onwetendheid. Wanneer die sluier wordt opgelicht, wordt het individu zich bewust van zijn positie. Degene die de slechtste positie inneemt vormt de zorg voor de overige leden van diezelfde samenleving. Dieren zijn hierbij uitgesloten als leden van de samenleving omdat er in het geval van dieren geen sprake zou zijn van wederkerigheid. Ik kan als mens wel de positie innemen van een ander mens maar dat kan ik niet voor een dier. Nussbaum gaat hier tegenin door te beweren dat Rawls de intelligentie van dieren niet genoeg heeft onderzocht en dat hij hen gebrek aan wederkerigheid niet heeft beargumenteerd. In feite is het zo dat het hele contractdenken niet van toepassing kan zijn op dieren. Naar mijn idee is het zo dat wanneer een kip een ei legt of een koe melk geeft er geen sprake kan zijn van wederkerigheid. De dieren in kwestie beschikken niet over voldoende intelligentie dat zij weten dat zij dat ten behoeve van de mens doen maar dat ontslaat de mens niet van wreedheid tegenover deze dieren. Hiermee verwerpt Nussbaum de kantiaanse visie en het sociaal contract van Rawls voor de toepasbaarheid op dierenrechten, alhoewel de vermogensbenadering een nauwe bondgenoot blijft van het contractdenken.

Nussbaum vraagt zich ook af of het utilitarisme en dan met name het preferentie-utilitarisme van Peter Singer iets voor dierenrechten zou kunnen betekenen. “Stel dat de circusdieren in de Indiase rechtszaak”, schrijft Nussbaum over het gangbare utilitarisme, “de enige dieren waren die wreed behandeld werden, dan zou niet zonder meer duidelijk zijn dat het plezier van hun voorstellingen grote groepen mensen oplevert, niet opweegt tegen de pijn die een klein aantal dieren daarvoor moet lijden.” Dan blijkt het moeilijk om aan dieren preferenties toe te schrijven in het geval van het preferentie-utilitarisme. Dieren die vanaf hun geboorte opgesloten hebben gezeten zouden in het wild niet meer kunnen leven en zijn geconditioneerd om vrijwillig in hun hokken te stappen. Nussbaum spreekt hier, terecht, van een gedeformeerde preferentie. Daarmee blijft het houden van circusdieren moreel fout. Mill wist wat dat betreft nog een aardig evenwicht te vinden tussen een aristotelische nadruk op activiteit en ontplooiing en een utilitaristische nadruk op plezier en de afwezigheid van pijn.

Hoe de typen van waardigheid en de typen van ontplooiing zich verhouden in de vermogensbenadering van Nussbaum is niet helemaal duidelijk. Ze schrijft hierover: “Als we verwondering en ontzag voelen bij het kijken naar een complex organisme, dan lijkt die verwondering er minstens op te wijzen dat het goed is voor dat wezen om te blijven bestaan en zich ten volle te ontplooien als datgene wat het is. Deze idee is in ieder geval nauw verwant aan een moreel oordeel dat het slecht is als het floreren van een wezen wordt belemmerd door de schadelijke handelingen van een ander wezen. Deze complexe idee ligt ten grondslag aan de kern van de vermogensbenadering.” Wat ik hier wel uit begrijp is dat we de wereld waarin we leven zo mooi of lelijk kunnen maken als we willen. Maar toch zal het niet meer dan een natuurlijk proces zijn dat het floreren van het ene wezen wordt belemmerd door een ander wezen. De natuur zal hierover geen oordelen zoals goed of slecht kunnen vellen. Dat wij als mensen dit wel kunnen is dan weer een andere zaak en daarmee komen we toch weer bij het probleem van het rentmeesterschap.

Peter Singer en ook ander utilitaristen hebben duidelijk gemaakt dat de verbeeldingskracht een zeer op ons eigenbelang gericht instrument kan zijn. Zo zijn we door onze antropomorfe projectie moeilijk in staat ons een voorstelling te maken van dierlijk lijden. Aangezien dieren geen romans kunnen schrijven lijkt daar ook weinig aan te doen. Volgens Nussbaum levert de verbeeldingskracht binnen de vermogensbenadering de informatie over de asymmetrische machtsverhoudingen tussen mens en dier, die we over het hoofd zouden zien zonder het onderzoek naar de substantie van levens en relaties.

Een andere vraag die aan de orde komt, gaat over het voortbestaan van een soort. Wanneer een diersoort uitsterft omdat deze geen kans tot overleven heeft en het zich ook niet kan aanpassen, lijkt er niets aan de hand. Het is voor de individuele leden van deze soort beter om te verdwijnen omdat zij daarvan geen nadelige gevolgen ondervinden. Omdat de meeste soorten echter uitsterven door toedoen van de mens lijkt de vraag terecht of dit valt te rechtvaardigen. “Biodiversiteit kan op zich een groot goed zijn, maar wat voor soort goed dat is, en wat het verband tussen dat goed en politieke rechtvaardigheid zou kunnen zijn, lijken me vragen die het best bewaard kunnen blijven voor een nader onderzoek”, schrijft Nussbaum hierover.

Er bestaan verder morele verschillen tussen de levensvormen. Het doden van een muskiet is iets anders dan het doden van een chimpansee. James Rachels stelt dat de complexiteit en het niveau van de levensvorm van een dier verschil maken bij het denken over welke vormen van behandeling wel en niet toelaatbaar zijn. Het complexiteitsniveau van een wezen is van belang wat voor kwaad men het kan berokkenen; of het kwaad pijn kan aanrichten. Of wat relevant is voor het kwaad van inperking van bewegingsvrijheid of autonomie. “Het zou onzinnig zijn om erover te klagen dat een worm van zijn autonomie wordt beroofd, of een konijn van zijn stemrecht”, merkt Nussbaum hierover op. De mate van bewustzijn werd al eens eerder geïllustreerd door Douglas R. Hofstadter (niet besproken door Nussbaum) in zijn boek “Ik ben een vreemde lus” (p.41). Hij begint zijn illustratie onderin met atomen → geen bewustzijn en eindigt bovenin bij normale volwassen mensen → veel bewustzijn. Hofstadter spreekt hierbij met humor van kleingezielden en grootgezielden.

Een groot aantal dieren zijn zover gedomesticeerd dat zij in het wild niet meer zouden kunnen overleven. Het is dus niet aan te bevelen om dieren zoals honden, katten en andere dieren die door de eeuwen heen symbiotisch samen bestaan met de mens zomaar los te laten. Het zinnige alternatief volgens Nussbaum is om ze te behandelen als metgezellen die behoefte hebben aan verstandige voogdij. Hetzelfde zou kunnen gelden voor dieren die in het wild bijna zijn uitgestorven zijn en alleen in dierentuinen nog kunnen floreren. Alhoewel Nussbaum een tegenstandster is van wrede dressuren, begrijpt zij wel dat er veel te winnen is bij enige dressuur en discipline. We hoeven onze huisdieren dus niet in huis te laten poepen en plassen!

Maar hoe staat het met kwetsbare dieren in het wild? Moet de mens als politie-agent optreden tegen roofdieren die het gemund hebben op kwetsbare dieren? Voor de vermogensbenadering en het utilitarisme gaat het er niet om wie het slachtoffer kwaad doet maar om wàt er met het slachtoffer gebeurd. Het zal voor een gazelle weinig uitmaken of het door een tijger of door een mens wordt doodgemarteld. Dat wil niet zeggen dat de daad van de mens minder moreel verwerpelijk is dan de daad van de tijger. Als de gazelle tot een bedreigde diersoort zou behoren dan zou het volgens de vermogensbenadering geoorloofd zijn de gazelle in preventieve hechtenis te nemen ware het niet dat dit de mogelijkheid uitsluit om nog te floreren in het wild. Hieruit zou blijken dat we minder verantwoordelijk zijn voor de bescherming van bedreigde diersoorten in het wild dan voor de bescherming van onze huisdieren. Om hieraan tegemoet te komen noemt Nussbaum de mogelijkheid van populatiebeheer.

David DeGrazia schreef een boek over dierenrechten waarbij het vraagstuk van gelijkheid aan de orde wordt gesteld. Tellen de belangen van dieren even zwaar als de belangen van mensen? In de vermogensbenadering heeft gelijke waardigheid te maken met ideeën van wederkerigheid en vrijwaring van vernedering die specifiek menselijk lijken. Nussbaum erkent dat het moeilijk is om een niet-menselijke analogie te bedenken waarin de ongelijke verdeling van een vermogen afbreuk doet aan gelijkheid en respect en wederkerigheid. Veel denkers zijn van mening dat de belangen van de mens, in het geval van een conflict, boven die van dieren gesteld kan worden. Nussbaum doet dit af als een metafysische kwestie waarover burgers verschillende meningen kunnen hebben. Daarentegen is de idee van gelijkwaardigheid geen metafysisch idee wanneer het mensen betreft en een kernelement vormt van politieke concepties. Daarmee is het onderscheid tussen mens en dier duidelijk. “In plaats daarvan kunnen we ons beter verlaten op de wat lossere idee dat alle schepselen recht hebben op toereikende kansen op een florerend leven.”, besluit Nussbaum dit onderwerp over gelijkheid.

Wat voor een soort kwaad vormt de dood voor verschillende typen dieren? Utilitaristen stellen dat een pijnloze dood geen kwaad vormt. Bentham was een tegenstander van iedere vorm van wreedheid maar accepteerde wel een pijnloze slacht van dieren wanneer het een nut betrof. Ook wanneer het dier moet lijden zonder uitzicht op verbetering dan is doden geoorloofd. Dit geldt overigens meer voor dieren dan voor mensen (euthanasie) omdat een mens met pijn het leven nog de moeite waard kan vinden. Uiteraard doden we dieren vooral om aan voedsel te komen en kunnen we het doden van dieren voor het vergaren van overbodige luxe, zoals bont waar het overbodig is, beter vermijden. Ook bij het doden van dieren kunnen we het onderscheid maken tussen een koe en een garnaal. Hier geeft Nussbaum het voordeel aan de utilitarist dat de preventie van lijden, zowel tijdens het leven als tijdens het sterven, altijd van doorslaggevend belang is. Bij dieren die overlast veroorzaken kunnen we nogmaals verwijzen naar de mogelijkheid van populatiebeheer.

“De meeste bestaande religieuze en niet-religieuze omvattende theorieën zijn mijlenver verwijderd van de posities die hier worden verdedigd”, schrijft Nussbaum in haar boek, “De hindoeïstische, jainistische en boeddhistische tradities bevatten veel elementen van wat ik hier aanbeveel, en dat geldt ook voor het vroege platonisme. Het christendom, het jodendom, de islam en de non-religieuze omvattende theorieën van de meeste mensen stellen echter de menselijke species in metafysische zin boven andere species, en kennen de mens een gewaarborgd recht toe om dieren voor vele doeleinden te gebruiken”. Of met dit gewaarborgde recht allerlei onnodige wreedheden is goed te praten is dan nog een punt ter discussie. In Europa zijn al strengere straffen ingevoerd tegen dierenmishandeling en daarmee is al een goede weg ingeslagen.

Om haar theorie van de vermogensbenadering nog verder uit te werken heeft Nussbaum een lijst van vermogens opgesteld op de weg naar politieke basisprincipes.

1. Leven
In de vermogensbenadering hebben alle dieren het recht om hun leven voort te zetten, los van de vraag of ze daar bewust belang in stellen, tenzij en totdat hun dood vanwege pijn en lichamelijke aftakeling niet langer een kwaad vormt. Dit recht is minder robuust als we te maken hebben met insecten en andere levensvormen die nauwelijks over bewustzijn beschikken.
2. Lichamelijke gezondheid
Wetten tegen wrede behandeling en verwaarlozing van dieren; wetten tegen het opsluiten en mishandelen van dieren in de vlees-en bontindustrie; wetten en voorschriften voor dierentuinen en aquaria, waarin die verplicht worden om ieder dier voldoende ruimte en voedsel te bieden.
3. Lichamelijke onschendbaarheid
Binnen de vermogensbenadering beschikken dieren over rechtstreekse rechten en aanspraken op bescherming tegen schendingen van hun lichamelijke integriteit door middel van geweld en andere vormen van mishandeling -los van de vraag of die mishandeling pijnlijk is of niet (op dit basisprincipe worden uitzonderingen genoemd zoals castratie en sterilisatie).
4. Zintuiglijke waarneming
Een algemeen recht op prettige ervaringen en het vermijden van niet-heilzame pijn (als voorbeeld worden dierentuinen genoemd die te saai zijn voor de dieren die er vertoeven).
5. Emoties
Net als mensen hebben dieren recht op een leven waarin hun de mogelijkheid wordt geboden om betrekkingen aan te gaan met andere dieren, om zich aan andere dieren te hechten en voor hen te zorgen. Ook hebben ze het recht om een dergelijke hechting niet te laten deformeren door gedwongen isolatie of het opzettelijk aanjagen van angst.
6. Praktische rede
In elk afzonderlijk geval dienen we onszelf de vraag te stellen in welke mate het dier over het vermogen beschikt om zichzelf doelen te stellen, zelf projecten op te zetten en zijn leven te plannen. Voor zover dit vermogen aanwezig is, dient het ondersteund te worden.
7. Sociale banden
Dieren hebben ook recht op niet-tirannieke, niet-eenzijdig voordeel opleverende betrekkingen met mensen, indien die in hun omgeving verkeren. Tegelijkertijd hebben dieren het recht om in een wereldomspannend publieke cultuur te leven waarin ze worden gerespecteerd en worden behandeld als wezens die over hun eigen waardigheid beschikken.
8. Andere species
Als mensen er recht op hebben om in staat te zijn om 'te leven met zorg voor en in relatie met dieren, planten en de wereld van de natuur' dan geldt dat ook voor andere dieren in hun verhouding tot andere species dan die waartoe ze zelf behoren, waaronder ook de menselijke species en de rest van de natuur.
9. Spel
De garantie van voldoende ruimte, licht en sensorische stimulatie in de leefomgeving alsmede speelkameraadjes.
10. Vormgeving van de eigen omgeving
Voor niet-menselijke dieren is het vooral van belang om deel te kunnen uitmaken van een politieke conceptie die zodanig is opgesteld dat zij erin gerespecteerd worden (uiteraard is er een menselijke voogd voor nodig om die rechten ook af te dwingen).

We hebben de vermogensbenadering nu leren kennen als een theorie waarin een wezen dermate kan floreren dat het een waardig leven kan hebben. Maar wat is de drempelwaarde voor een waardig bestaan? “Aan de ene kant dient de drempelwaarde van een vermogen nooit zo hoog gesteld te worden dat het utopisch of onrealistisch wordt, en dus dienen we de vraag te stellen welke combinaties we onder redelijk goede omstandigheden kunnen hopen te verwezenlijken”, schrijft Nussbaum, “Aan de andere kant dienen we ook niet te laag te mikken en daardoor slechte regelingen te treffen”. Zo zullen er altijd wel conflicten blijven bestaan tussen het welzijn van dieren en het welzijn van mensen. Denk hierbij alleen al aan proefdieren. Voor dieren als voedselbron is een pijnloze slacht van belang (al is de discussie over het 'pijnloze' nog steeds gaande bij het rituele slachten). Bij proefdieren moeten we ons afvragen in hoeverre het werkelijk nodig is, zoals het testen van cosmetica op konijnen.

Tenslotte eindigt Nussbaum haar betoog hiermee: “De vermogensbenadering, die vertrekt vanuit een ethisch getinte bewondering voor elke vorm van dierlijk leven, biedt een model dat recht doet aan de complexiteit van dierenlevens en hun streven naar floreren. Ik heb hier niet meer dan een schets gegeven van wat deze benadering uiteindelijk zou kunnen zeggen. Maar zelfs een schets is een stap in de goede richting, een stap op weg naar een werkelijke mondiale rechtvaardigheidstheorie.”.