In
het boekje “Een waardig bestaan”, dat eerder verscheen als
hoofdstuk 6 in het boek “Grensgebieden van het recht”, probeert
de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum een lans te breken voor
dierenrechten.
Het boekje wordt ingeleid door een
uitspraak van de Hoge Raad in India, Kerala, in een zaak die werd
aangespannen tegen een circus in juni 2000. Een opmerkelijke zin in
de uitspraak is de volgende: “Hoewel ze niet behoren tot de soort
homo sapiens, zijn ook zij wezens met recht op een waardig bestaan en
een humane behandeling, zonder wreedheid en marteling.”
Een
humane behandeling voor dieren. Alhoewel een hoop mensen het
nauwelijks kunnen opbrengen om humaan tot hun eigen soort te zijn is
het een interessante benadering. Het probleem is natuurlijk waarop
men dit baseert. In de eerste plaats zijn er onze betrekkingen met
leden van andere soorten zoals wij deze kennen met onze huisdieren.
Nussbaum noemt in dit verband betrekkingen die te maken hebben met
ontvankelijkheid, medeleven, vreugde over uitblinken, zorg en
aandacht. Natuurlijk zijn er ook die betrekkingen zoals wij deze
kennen met die arme circusdieren en dan kan gedacht worden aan
betrekkingen die te maken hebben met manipulatie, onverschilligheid
en wreedheid. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat een huisdier
doorgaans een beter leven heeft dan een circusdier waarmee een
onderscheid gemaakt kan worden met een humane benadering en een
inhumane benadering. Uiteraard zullen er ook gevallen zijn waarbij de
grenzen minder scherp afgebakend zullen zijn met betrekking tot onze
betrekkingen met dieren.
Behalve een kwestie van goed
fatsoen lijkt het ook een rechtvaardigheidskwestie te zijn hoe wij
omgaan met dieren. Daarvoor zouden bestaande grondrechten en rechten
en aanspraken uitgebreid moeten worden tot over de soortgrens.
Voordat het zo ver is zou er een adequate theoretische benadering
verwoord moeten worden. Nussbaum biedt hiervoor haar zogenaamde
'vermogensbenadering' als theoretische leidraad. Maar wat is deze
'vermogensbenadering'? Het is een theorie die ervan uitgaat in
hoeverre men in staat is om zijn vermogens te ontplooien; in hoeverre
men in staat is om te kunnen floreren. Daarmee kan men ook zijn
waardigheid tot uiting brengen. Deze benadering zou men ook op dieren
kunnen toepassen.
De epicuristen voerden aan dat zowel
mensen als dieren bestaan uit een sterfelijk lichaam en een
stoffelijke ziel, die na de dood vergaan. Dat zowel dieren als mensen
een ziel zouden hebben (over de stoffelijkheid zullen we het hier
maar niet hebben) werden door christenen en joden verworpen als
atheïsme en goddeloos materialisme. In plaats daarvan werden de
stoïcijnen gehuldigd die dieren niet beschouwen als participanten
van de ethische gemeenschap.
Kant voerde aan dat wanneer
mensen vriendelijk zijn voor dieren, deze mensen ook vriendelijk zijn
voor mensen. Wanneer mensen wreed zijn voor dieren dan blijkt vaak
dat deze mensen ook wreed zijn ten opzichte van andere mensen. In dit
opzicht is de waarde van het dier instrumenteel van aard. Iemand
waarvan men weet dat hij graag spullen sloopt, haalt men ook niet
graag in huis. Dat een dier pijn of plezier kan voelen is hier dus
niet aan de orde.
Wat dat betreft ging Rawls nog een
klein stapje verder door te erkennen dat dieren pijn of plezier
kunnen voelen. Echter, in “A Theory of Justice” schrijft hij:
“Wreedheid ten opzichte van dieren is zeker verkeerd. Het vermogen
tot gevoelens van plezier en pijn, en tot de vormen van leven waartoe
deze dieren capabel zijn, legt ons in hun geval duidelijk
verplichtingen van medelijden en menselijkheid op. Ik zal geen poging
doen om deze overwogen overtuigingen te verklaren. Ze vallen buiten
het bereik van de rechtvaardigheidstheorie, en het lijkt niet
mogelijk om de contractdoctrine zover uit te breiden dat ze daar op
natuurlijke wijze binnen zou kunnen vallen.” Voor zover blijft het
dus een kwestie van goed fatsoen hoe wij met dieren omgaan.
De
contractdoctrine verwijst naar een theorie van Rawls. De mens heeft
in zijn originele positie geen weet van zijn mogelijkheden omdat hij
leeft onder een sluier van onwetendheid. Wanneer die sluier wordt
opgelicht, wordt het individu zich bewust van zijn positie. Degene
die de slechtste positie inneemt vormt de zorg voor de overige leden
van diezelfde samenleving. Dieren zijn hierbij uitgesloten als leden
van de samenleving omdat er in het geval van dieren geen sprake zou
zijn van wederkerigheid. Ik kan als mens wel de positie innemen van
een ander mens maar dat kan ik niet voor een dier. Nussbaum gaat hier
tegenin door te beweren dat Rawls de intelligentie van dieren niet
genoeg heeft onderzocht en dat hij hen gebrek aan wederkerigheid niet
heeft beargumenteerd. In feite is het zo dat het hele contractdenken
niet van toepassing kan zijn op dieren. Naar mijn idee is het zo dat
wanneer een kip een ei legt of een koe melk geeft er geen sprake kan
zijn van wederkerigheid. De dieren in kwestie beschikken niet over
voldoende intelligentie dat zij weten dat zij dat ten behoeve van de
mens doen maar dat ontslaat de mens niet van wreedheid tegenover deze
dieren. Hiermee verwerpt Nussbaum de kantiaanse visie en het sociaal
contract van Rawls voor de toepasbaarheid op dierenrechten, alhoewel
de vermogensbenadering een nauwe bondgenoot blijft van het
contractdenken.
Nussbaum vraagt zich ook af of het
utilitarisme en dan met name het preferentie-utilitarisme van Peter
Singer iets voor dierenrechten zou kunnen betekenen. “Stel dat de
circusdieren in de Indiase rechtszaak”, schrijft Nussbaum over het
gangbare utilitarisme, “de enige dieren waren die wreed behandeld
werden, dan zou niet zonder meer duidelijk zijn dat het plezier van
hun voorstellingen grote groepen mensen oplevert, niet opweegt tegen
de pijn die een klein aantal dieren daarvoor moet lijden.” Dan
blijkt het moeilijk om aan dieren preferenties toe te schrijven in
het geval van het preferentie-utilitarisme. Dieren die vanaf hun
geboorte opgesloten hebben gezeten zouden in het wild niet meer
kunnen leven en zijn geconditioneerd om vrijwillig in hun hokken te
stappen. Nussbaum spreekt hier, terecht, van een gedeformeerde
preferentie. Daarmee blijft het houden van circusdieren moreel fout.
Mill wist wat dat betreft nog een aardig evenwicht te vinden tussen
een aristotelische nadruk op activiteit en ontplooiing en een
utilitaristische nadruk op plezier en de afwezigheid van pijn.
Hoe
de typen van waardigheid en de typen van ontplooiing zich verhouden
in de vermogensbenadering van Nussbaum is niet helemaal duidelijk. Ze
schrijft hierover: “Als we verwondering en ontzag voelen bij het
kijken naar een complex organisme, dan lijkt die verwondering er
minstens op te wijzen dat het goed is voor dat wezen om te blijven
bestaan en zich ten volle te ontplooien als datgene wat het is. Deze
idee is in ieder geval nauw verwant aan een moreel oordeel dat het
slecht is als het floreren van een wezen wordt belemmerd door de
schadelijke handelingen van een ander wezen. Deze complexe idee ligt
ten grondslag aan de kern van de vermogensbenadering.” Wat ik hier
wel uit begrijp is dat we de wereld waarin we leven zo mooi of lelijk
kunnen maken als we willen. Maar toch zal het niet meer dan een
natuurlijk proces zijn dat het floreren van het ene wezen wordt
belemmerd door een ander wezen. De natuur zal hierover geen oordelen
zoals goed of slecht kunnen vellen. Dat wij als mensen dit wel kunnen
is dan weer een andere zaak en daarmee komen we toch weer bij het
probleem van het rentmeesterschap.
Peter Singer en ook
ander utilitaristen hebben duidelijk gemaakt dat de
verbeeldingskracht een zeer op ons eigenbelang gericht instrument kan
zijn. Zo zijn we door onze antropomorfe projectie moeilijk in staat
ons een voorstelling te maken van dierlijk lijden. Aangezien dieren
geen romans kunnen schrijven lijkt daar ook weinig aan te doen.
Volgens Nussbaum levert de verbeeldingskracht binnen de
vermogensbenadering de informatie over de asymmetrische
machtsverhoudingen tussen mens en dier, die we over het hoofd zouden
zien zonder het onderzoek naar de substantie van levens en relaties.
Een andere vraag die aan de orde komt, gaat over het
voortbestaan van een soort. Wanneer een diersoort uitsterft omdat
deze geen kans tot overleven heeft en het zich ook niet kan
aanpassen, lijkt er niets aan de hand. Het is voor de individuele
leden van deze soort beter om te verdwijnen omdat zij daarvan geen
nadelige gevolgen ondervinden. Omdat de meeste soorten echter
uitsterven door toedoen van de mens lijkt de vraag terecht of dit
valt te rechtvaardigen. “Biodiversiteit kan op zich een groot goed
zijn, maar wat voor soort goed dat is, en wat het verband tussen dat
goed en politieke rechtvaardigheid zou kunnen zijn, lijken me vragen
die het best bewaard kunnen blijven voor een nader onderzoek”,
schrijft Nussbaum hierover.
Er bestaan verder morele
verschillen tussen de levensvormen. Het doden van een muskiet is iets
anders dan het doden van een chimpansee. James Rachels stelt dat de
complexiteit en het niveau van de levensvorm van een dier verschil
maken bij het denken over welke vormen van behandeling wel en niet
toelaatbaar zijn. Het complexiteitsniveau van een wezen is van belang
wat voor kwaad men het kan berokkenen; of het kwaad pijn kan
aanrichten. Of wat relevant is voor het kwaad van inperking van
bewegingsvrijheid of autonomie. “Het zou onzinnig zijn om erover te
klagen dat een worm van zijn autonomie wordt beroofd, of een konijn
van zijn stemrecht”, merkt Nussbaum hierover op. De mate van
bewustzijn werd al eens eerder geïllustreerd door Douglas R.
Hofstadter (niet besproken door Nussbaum) in zijn boek “Ik ben een
vreemde lus” (p.41). Hij begint zijn illustratie onderin met atomen
→ geen bewustzijn en eindigt bovenin bij normale volwassen mensen →
veel bewustzijn. Hofstadter spreekt hierbij met humor van
kleingezielden en grootgezielden.
Een groot aantal dieren
zijn zover gedomesticeerd dat zij in het wild niet meer zouden kunnen
overleven. Het is dus niet aan te bevelen om dieren zoals honden,
katten en andere dieren die door de eeuwen heen symbiotisch samen
bestaan met de mens zomaar los te laten. Het zinnige alternatief
volgens Nussbaum is om ze te behandelen als metgezellen die behoefte
hebben aan verstandige voogdij. Hetzelfde zou kunnen gelden voor
dieren die in het wild bijna zijn uitgestorven zijn en alleen in
dierentuinen nog kunnen floreren. Alhoewel Nussbaum een
tegenstandster is van wrede dressuren, begrijpt zij wel dat er veel
te winnen is bij enige dressuur en discipline. We hoeven onze
huisdieren dus niet in huis te laten poepen en plassen!
Maar
hoe staat het met kwetsbare dieren in het wild? Moet de mens als
politie-agent optreden tegen roofdieren die het gemund hebben op
kwetsbare dieren? Voor de vermogensbenadering en het utilitarisme
gaat het er niet om wie het slachtoffer kwaad doet maar om wàt er
met het slachtoffer gebeurd. Het zal voor een gazelle weinig uitmaken
of het door een tijger of door een mens wordt doodgemarteld. Dat wil
niet zeggen dat de daad van de mens minder moreel verwerpelijk is dan
de daad van de tijger. Als de gazelle tot een bedreigde diersoort zou
behoren dan zou het volgens de vermogensbenadering geoorloofd zijn de
gazelle in preventieve hechtenis te nemen ware het niet dat dit de
mogelijkheid uitsluit om nog te floreren in het wild. Hieruit zou
blijken dat we minder verantwoordelijk zijn voor de bescherming van
bedreigde diersoorten in het wild dan voor de bescherming van onze
huisdieren. Om hieraan tegemoet te komen noemt Nussbaum de
mogelijkheid van populatiebeheer.
David DeGrazia schreef
een boek over dierenrechten waarbij het vraagstuk van gelijkheid aan
de orde wordt gesteld. Tellen de belangen van dieren even zwaar als
de belangen van mensen? In de vermogensbenadering heeft gelijke
waardigheid te maken met ideeën van wederkerigheid en vrijwaring van
vernedering die specifiek menselijk lijken. Nussbaum erkent dat het
moeilijk is om een niet-menselijke analogie te bedenken waarin de
ongelijke verdeling van een vermogen afbreuk doet aan gelijkheid en
respect en wederkerigheid. Veel denkers zijn van mening dat de
belangen van de mens, in het geval van een conflict, boven die van
dieren gesteld kan worden. Nussbaum doet dit af als een metafysische
kwestie waarover burgers verschillende meningen kunnen hebben.
Daarentegen is de idee van gelijkwaardigheid geen metafysisch idee
wanneer het mensen betreft en een kernelement vormt van politieke
concepties. Daarmee is het onderscheid tussen mens en dier duidelijk.
“In plaats daarvan kunnen we ons beter verlaten op de wat lossere
idee dat alle schepselen recht hebben op toereikende kansen op een
florerend leven.”, besluit Nussbaum dit onderwerp over gelijkheid.
Wat voor een soort kwaad vormt de dood voor verschillende
typen dieren? Utilitaristen stellen dat een pijnloze dood geen kwaad
vormt. Bentham was een tegenstander van iedere vorm van wreedheid
maar accepteerde wel een pijnloze slacht van dieren wanneer het een
nut betrof. Ook wanneer het dier moet lijden zonder uitzicht op
verbetering dan is doden geoorloofd. Dit geldt overigens meer voor
dieren dan voor mensen (euthanasie) omdat een mens met pijn het leven
nog de moeite waard kan vinden. Uiteraard doden we dieren vooral om
aan voedsel te komen en kunnen we het doden van dieren voor het
vergaren van overbodige luxe, zoals bont waar het overbodig is, beter
vermijden. Ook bij het doden van dieren kunnen we het onderscheid
maken tussen een koe en een garnaal. Hier geeft Nussbaum het voordeel
aan de utilitarist dat de preventie van lijden, zowel tijdens het
leven als tijdens het sterven, altijd van doorslaggevend belang is.
Bij dieren die overlast veroorzaken kunnen we nogmaals verwijzen naar
de mogelijkheid van populatiebeheer.
“De meeste
bestaande religieuze en niet-religieuze omvattende theorieën zijn
mijlenver verwijderd van de posities die hier worden verdedigd”,
schrijft Nussbaum in haar boek, “De hindoeïstische, jainistische
en boeddhistische tradities bevatten veel elementen van wat ik hier
aanbeveel, en dat geldt ook voor het vroege platonisme. Het
christendom, het jodendom, de islam en de non-religieuze omvattende
theorieën van de meeste mensen stellen echter de menselijke species
in metafysische zin boven andere species, en kennen de mens een
gewaarborgd recht toe om dieren voor vele doeleinden te gebruiken”.
Of met dit gewaarborgde recht allerlei onnodige wreedheden is goed te
praten is dan nog een punt ter discussie. In Europa zijn al strengere
straffen ingevoerd tegen dierenmishandeling en daarmee is al een
goede weg ingeslagen.
Om haar theorie van de
vermogensbenadering nog verder uit te werken heeft Nussbaum een lijst
van vermogens opgesteld op de weg naar politieke basisprincipes.
We
hebben de vermogensbenadering nu leren kennen als een theorie waarin
een wezen dermate kan floreren dat het een waardig leven kan hebben.
Maar wat is de drempelwaarde voor een waardig bestaan? “Aan de ene
kant dient de drempelwaarde van een vermogen nooit zo hoog gesteld te
worden dat het utopisch of onrealistisch wordt, en dus dienen we de
vraag te stellen welke combinaties we onder redelijk goede
omstandigheden kunnen hopen te verwezenlijken”, schrijft Nussbaum,
“Aan de andere kant dienen we ook niet te laag te mikken en
daardoor slechte regelingen te treffen”. Zo zullen er altijd wel
conflicten blijven bestaan tussen het welzijn van dieren en het
welzijn van mensen. Denk hierbij alleen al aan proefdieren. Voor
dieren als voedselbron is een pijnloze slacht van belang (al is de
discussie over het 'pijnloze' nog steeds gaande bij het rituele
slachten). Bij proefdieren moeten we ons afvragen in hoeverre het
werkelijk nodig is, zoals het testen van cosmetica op konijnen.
Tenslotte eindigt Nussbaum haar betoog hiermee: “De
vermogensbenadering, die vertrekt vanuit een ethisch getinte
bewondering voor elke vorm van dierlijk leven, biedt een model dat
recht doet aan de complexiteit van dierenlevens en hun streven naar
floreren. Ik heb hier niet meer dan een schets gegeven van wat deze
benadering uiteindelijk zou kunnen zeggen. Maar zelfs een schets is
een stap in de goede richting, een stap op weg naar een werkelijke
mondiale rechtvaardigheidstheorie.”.